Statiegeldmanifest Nieuws Veelgestelde vragen

Beleidskritiek: De convenanten

In de periode 1991 tot 2005 werd het verpakkingenbeleid geregeld via drie opeenvolgende convenanten (overeenkomsten tussen overheid en bedrijfsleven). In 1991 werd in het eerste Verpakkingenconvenant afgesproken dat in het jaar 2000 minimaal 50 procent van alle plastic flessen en flacons zou worden gerecycled. Deze afspraak werd niet gehandhaafd en verviel in het tweede convenant.

In 2002 werden in het derde convenant de recyclingambities voor plastics vastgesteld op 43 procent. Ook werd er een afspraak opgenomen over de vermindering van het zwerfafval van blikjes en flesjes met 80%. Beide doelstellingen werden niet gehaald. De officiële controle werd echter uitgevoerd namens het bedrijfsleven. De overheid zou statiegeld verplicht stellen bij onvoldoende resultaat, maar de cijfers die door het bedrijfsleven werden aangeleverd, waren steeds dusdanig vaag en positief voorgesteld, dat deze maatregel uitbleef.

Eerste Verpakkingenconvenant: hoge ambities met statiegeld

In 1991 sloten overheid en bedrijfsleven op vrijwillige basis de eerste overeenkomst (Convenant) over verpakkingen. Doel was het terugdringen van de hoeveelheid verpakkingsafval en het bevorderen van recycling. Er werden veel ambitieuze doelstellingen geformuleerd en afspraken gemaakt.

Zo verplichtte de verpakkingsketen zich ertoe om in de periode tot het jaar 2000:
  • “zich grote offers te getroosten om de hoeveelheid (in kton) nieuw op de markt te brengen verpakkingen in het jaar 2000 te reduceren ...” (met minimaal 10%; art. 4.2);
  • “zo spoedig mogelijk ... bij de productie van verpakkingen uitsluitend gebruik te maken van stoffen en materialen die het milieu zo min mogelijk schaden.” (art. 6);
  • “in het jaar 2000 minimaal 60% van de gebruikte verpakkingen … zo hoogwaardig mogelijk te herverwerken.” (50% voor plastic flessen en flacons; art. 10.1 en 10.3c).

Er werd ook stevig ingezet op een aantal snelle, concrete maatregelen. Veel van deze maatregelen zijn uitgevoerd, maar van veel afspraken is ook niets terecht gekomen. Een paar voorbeelden:
  • “Het op 1 juli 1991 stoppen met het gratis verstrekken van draagtassen in supermarkten. Dit zal in de tijd worden aangescherpt” (Bijlage I.A1.1);
  • Allerlei acties gericht op het overschakelen op meermalig bruikbare verpakkingen;
  • Daarbij werd het middel statiegeld vaak genoemd. Zo zou er in tweeduizend winkels wijn in herbruikbare statiegeldflessen te koop moeten zijn, waarvan een deel bovendien met een ‘zelftapmogelijkheid’. Ook zou er een project worden uitgevoerd waarmee statiegeld werd uitgeprobeerd voor niet-huishoudelijke zeepproducten (Bijlage C.);
  • “Het invoeren van een statiegeld van 1 gulden voor alle koolzuurhoudende waters en frisdranken in eenmalige kunststof flessen per 1 oktober 1991.” (bijlage I.D1.1)

Tweede en derde Convenanten stelden teleur

Op 4 juli 1997 werd de Regeling verpakking en verpakkingsafval gepubliceerd, als uitwerking van een Europese Richtlijn. (Met deze Regeling verviel op een aantal punten het vrijwillig karakter dat de basis was van het Convenant Verpakkingen I.) Er kwamen andere doelstellingen en een aantal administratieve verplichtingen voor de producenten/importeurs.

Tegen die achtergrond werd in 1997 het tweede convenant verpakkingen afgesloten - drie jaar voor het beëindigen van de looptijd van het eerste convenant. Daarmee werd het onmogelijk om de diverse afspraken over de hoeveelheden preventie en hergebruik in 2000 “af te rekenen”. De afspraak dat in het jaar 2000 minimaal 50 procent van alle plastic flessen en flacons zou worden gerecycled werd bijvoorbeeld niet gehandhaafd. De definitie van preventie werd veranderd, zodat de taakstelling sterk werd afgezwakt. Ook andere afspraken over hergebruik en recycling van plastics werden afgezwakt. Daartegenover werden voor enkele andere verpakkingsmaterialen hogere recyclingpercentages overeengekomen. Deze bleken echter in 2001, aan het eind van het tweede convenant... niet te zijn gehaald.

In 2002 werd een derde Convenant overeengekomen met nagenoeg dezelfde inspanningsverplichtingen, maar met minder strenge recyclingdoelstellingen (dus lagere percentages) voor papier/karton en kunststof verpakkingen. Ook werden afspraken opgenomen over de vermindering van het zwerfafval van blikjes en flesjes: “Het Bedrijfsleven zorgt ervoor dat uiterlijk in het jaar 2005 de hoeveelheid blikjes en flesjes in het zwerfafval met ten minste 80 procent is afgenomen.” Afgesproken was dat een jaar later statiegeld zou worden ingevoerd wanneer deze afspraak niet werd nagekomen. Overheid en bedrijfsleven kwamen in 2006 echter samen tot de conclusie dat het statiegeld toch niet mocht worden ingevoerd: de nulmonitoring (meten van hoeveelheden bij de start) was niet goed geweest, en kon dus geen uitsluitsel bieden. In opdracht van Recycling Netwerk becijferde het Centrum Milieukunde van Universiteit Leiden dat de kans groter was dat de hoeveelheid zwerfafval van flesjes en blikjes juist was gestégen. Er was echter geen politieke meerderheid bereid om daar gevolgen aan te verbinden.

Exit Convenanten

Na drie Verpakkingsconvenanten was in 2005 het resultaat:
  • De hoeveelheid verpakkingsafval per jaar was niet met 10 procent gedaald (zoals in 1991 was overeengekomen), maar was toegenomen;
  • Er werden steeds minder herbruikbare verpakkingen was minder geworden, in plaats van meer;
  • Er werden in de huishoudens steeds minder herbruikbare verpakkingen gebruikt, in plaats van meer;
  • De monitoring (het meten van hoeveelheden) werd uitgevoerd door of in opdracht van (organisaties van) bedrijven en gaf aanleiding tot veel discussie.
Ga naar pagina:    Verpakkingenbesluit >           Deel dit op  



© 2017 Stichting Ons Statiegeld
Contact en informatie
Recycling Netwerk
@EchteHeld op twitter
Privacyverklaring en
gebruiksvoorwaarden